© C.J.J. Uding 1998-2017

 

 

"UDINK GENERATIES" is een genealogie en tevens een familieboek met gegevens over het geslacht Udink vanaf ± 1560 tot 1991.

"UDINK GENERATIES" werd geschreven door Peter Kolkman geb 21-08-1925 te Deventer en kleinzoon van Geertruida Udink C 36 a

Het boek werd in eigen beheer uitgevoerd met behulp van computer en laser-printer en werd eind 1991 in een beperkte oplaag beschikbaar gesteld voor familieleden en uitgereikt aan het "Centraal Bureau voor Genealogie" en de "Nederl.Genealogische Vereniging" voor opname in hun collectie.

Het adres van de schrijver was eind 1991 de Vooysplantsoen 6 , 3571 ZN te Utrecht

 

Met dank voor hun daadwerkelijke medewerking en financieele steun aan Wim Enterman te Voorburg en aan de onderstaande familieleden:

B.J.Udink te 's Gravenhage

M.Udink-Meilof te 's Gravenhage

H.G.Udink te Assen

Drs.B.J.Udink te Brussel

Ir.G.J.Udink te Terheijden

W.A.Udink te Gorssel

G.Udink te Ogden, Utah

E.A.Skinner-Udink te Parkhill, Ontario

M.M.Duijn-Edwards te Oregon-City

en de beheerder Nicolaas Udink-fonds

Mr.M.G.M.van Marwijk Kooy te Maasdam

 

 

VOORWOORD

De grondslag van dit boek is geweest een onderzoek naar de voorgeslachten

van mijn grootouders Peter Kolkman en Geertruida Udink. Daarbij kreeg de naam Udink

voorrang boven mijn eigen naam omdat deze voorkomt bij meer geslachten die behalve

de naam niets met elkaar gemeen hebben, terwijl de naam Udink in Nederland uniek is

en vrijwel elke vondst onder die naam bruikbaar bleek voor deze genealogie.

Bij mijn onderzoek heb ik veel hulp gekregen van Berend Jan Udink, een neef

uit mijn naaste familie, belastingadviseur en registeraccountant in 's Gravenhage,

die vanaf enige jaren voor zijn dood in 1988 mij heeft gesteund en met name alles

heeft vergaard wat naast de stamboom in de ruimste zin op de naam Udink sloeg.

Zijn aandeel is ondergebracht in deel III. Hij vond ook de aansluiting met een

andere genealogie die opnieuw drie voorgaande generaties aan de stamboom toevoegde.

Deze andere genealogie was het werk van Wim Enterman, een schoolvriend uit

Deventer, die ik op deze wijze terugvond en die mij heeft laten profiteren van zijn

uitzonderlijke genealogische kennis van de voorouders in en rondom het dorp Holten

waar het verhaal over de Udink's in dit boek aanvangt. Het bestaat uit 3 delen.

Deel I beschrijft het geslacht Udink dat uit Holten stamt en waartoe op

slechts een kleine uitzondering na, alle thans in ons land levende Udink's behoren.

Deel II beschrijft deze uitzondering die gevormd wordt door enkele personen

met de familienaam Udink, maar die afstammen van een geslacht Uding uit Dinslaken.

Ook worden in dit deel enkele generaties Udink beschreven die in het begin van

deze eeuw in ons land zijn uitgestorven en die afkomstig waren uit Lippinghausen.

Deel III bevat gegevens omtrent naamverwante huizen, erven en personen uit

vroeger eeuwen en een ruim aantal Udink's van verschillende afkomst, die tot in de

vorige eeuw hebben gewoond in Amsterdam, Deventer, Geesteren en Groningen.

Van hen is geen nageslacht met de naam Udink meer te vinden.

Met behulp van de registers in het supplement is het mogelijk om elke Udink

op te zoeken zoals wordt uitgelegd in het hoofdstuk over de systeembeschrijving.

De gegevens uit de tweede helft van de 20e eeuw zijn voor een groot deel

verkregen uit gesprekken en briefwisselingen en de indirekte overdracht kan er de

oorzaak van zijn dat enkele namen en data niet volledig of onjuist zijn afgedrukt.

De stamboom is tot en met 1987 systematisch en zo goed als volledig uitgezocht.

Daarna zijn er alleen nog de incidenteel verkregen gegevens aan toegevoegd.

De vele kontakten maakten het mogelijk om ook familiefoto's op te nemen.

Door verschillende oorzaken is het echter niet gelukt om alle familiegroepen te

vertegenwoordigen. De foto's zijn vakkundig overgenomen van de originelen en daarna

zorgvuldig bewerkt, maar vertonen desondanks verschillen in afdrukkwaliteit.

Bij de ordening van de gegevens heeft voorop gestaan dat het in de eerste

plaats een familieboek zou worden voor de familieleden en dat de uitvoering gericht

zou zijn op een eenvoudige manier van opzoeken, lezen en onderkennen van relaties

uit een veelheid van familiegroepen en afzonderlijke gezinnen.

Daardoor heeft de presentatie niet de vorm gekregen die men in genealogische kring

gaarne ziet en is bewust afgeweken van het klassieke nummersysteem.

Tenslotte betuig ik mijn dank aan degenen van wie ik medewerking en steun

heb ondervonden, met name aan hen, wier namen op het binnenblad zijn afgedrukt.

 

 

November 1991 Peter Kolkman.

 

INHOUD

DEEL I

VERLEDEN EN HEDEN VAN HET GESLACHT UDINK UIT HOLTEN ALSMEDE DE EMIGRANTEN

1. Inleiding

2. Systeembeschrijving

- de structuur en nummering van de stamboom

- uw plaats in de stamboom vinden

3. De stamvader Arent Oedinck in Holten

- een beschouwing over zijn mogelijke afkomst

4. Twee genealogieën met een zelfde stamvader

- schema's van de eerste zes generaties

- de twee hoofdtakken van de genealogie Udink

5. Gezinsbladen van de stamvader en de Udink-hoofdtak 1

6. Persoonsbeschrijvingen uit de generaties I t/m VI

- de gemeenschappelijke stamvader Arent Oedinck

- de Udink-stamvader Roelof Arentsen en zijn kinderen

- de rijkgeworden en uitgestorven Udink's van hoofdtak 1

7. De relaties tussen deze Udink's en Twentse families

- verwantschap Udink - Hoedemaker

- de peetvader Marten "Udink ten Cate"

- de peetvader Marten "Udink Blijdenstein"

- de peetvader Teunis "Roessingh Udink"

8. Stamreeks en nageslacht Udink ten Cate

9. Stamreeks en nageslacht Roessingh Udink

10. Gezinsbladen van de Udink-hoofdtak 2

- het relatieschema van de generaties III t/m VI

- de gezinsbladen tot aan de zijtakken

11. Persoonsbeschrijvingen uit hoofdtak 2, generaties V en VI

12 A-tak, schema en gezinsbladen, waaronder de emigranten

13. B-tak, schema en gezinsbladen, uitgezonderd de emigranten

14. B-tak, schema en gezinsbladen van de emigranten

15 C-tak, schema en gezinsbladen

16. D-tak, schema en gezinsbladen

17. Een duidelijker schema met namen van 6 generaties

18. Verspreiding, kerkelijke gezindheid

19. Holtense Udink's in de Volkstelling van 1947

Deel II

VERLEDEN EN HEDEN VAN TWEE GESLACHTEN UDINK UIT LIPPINGHAUSEN EN DINSLAKEN

1. De stamreeks van een geslacht Udink uit Lippinghausen

- Johann Friedrich trouwt als Jan Fredrik in 1800 in Amsterdam

2. Gezinsbladen van de generaties I t/m V

- Jan Udink sterft in 1919 waarna dit geslacht ten einde is

3. De nummering van de Dinslaken-stamboom

- de Haagse en Leidse takken Uding worden niet verder gevolgd

4. De stamboom van een geslacht Uding/Udink uit Dinslaken

- Arnoldus Uding komt als soldaat in Nederland

5. Gezinsbladen van de generaties I t/m X

- de Rotterdamse tak Udink tot op heden in Nederland

DEEL III

OVERIGE UDINK'S DIE ZIJN AANGETROFFEN IN VROEGERE SAMENLEVINGEN

1. Gegevens omtrent naamverwante huizen, erven en personen

2. Groningen, de Udink's die daar vroeger hebben geleefd

3. Amsterdam, de Udink's die daar vroeger hebben geleefd

4. Deventer, de Udink's die daar vroeger hebben geleefd

5. Bijna 150 jaar Udink's in Geesteren (Gld)

SUPPLEMENT

- Registers, familienamen van aangetrouwden

- Register van familienamen van de emigranten

- Bronvermeldingen, afkortingen

- Literatuurlijst

 

"WIJ KENNEN ELKAAR NIET, MAAR WETEN DAT WIJ TOCH FAMILIE ZIJN"

INLEIDING

Deze genealogie toont aan dat er in 1987 in Nederland 307 personen met de familie-

naam Udink voorkomen, die alle behoren tot een geslacht dat voor het eerst aan het

einde van de 16e eeuw in het dorp Holten in Overijssel wordt gesignaleerd.

Bovendien leven er dan 103 Udink's buiten Nederland na emigratie van hun voorouders

en wel 97 in de USA, 3 in Canada, 2 in Duitsland en 1 in Nieuw Zeeland.

Het totaal in 1987 komt daarmee op 410, waarvan 25% buiten Nederland.

De Volkstelling van 1947, veertig jaar eerder, geeft voor dit geslacht in Nederland

244 leden, terwijl er toen 40 in de USA, 5 in Canada en 1 in Duitsland verbleven.

Het totaal was toen dus 290, waarvan 15% buiten Nederland.

De uitkomsten van dit genealogisch onderzoek komen exact overeen met de gepubliceerde

gegevens van de Volkstelling van 1947, die op blz 279 zijn afgedrukt en toegelicht.

Deze "Holtense stamboom Udink" is het hoofdonderwerp van dit boek (deel I).

Naast de "Holtense Udink's" komen er zowel in 1947 als in 1987 vijf personen voor

die ook de naam Udink voeren, maar die niet verwant zijn aan de Holtense Udink's.

Zij behoren tot een geslacht Uding waarvan de voorouders omstreeks 1650 leefden in

Dinslaken in Westfalen. Het grootste deel van dit geslacht komt in Nederland nog

steeds voor onder de naam Uding, maar een kleine familiegroep is in het midden van

de 19e eeuw de familienaam gaan schrijven als Udink.

Dit Dinslakense geslacht wordt afzonderlijk behandeld in deel II.

Een klein Udink-geslacht, afkomstig uit Lippinghausen, Westfalen, heeft vanaf 1800

gedurende 4 generaties in Amsterdam geleefd en is in 1919 in Haarlem uitgestorven.

Deze "Udink's uit Lippinghausen" worden eveneens afzonderlijk behandeld in deel II.

Daarnaast zijn er hier en daar in het verleden enkele op zichzelf staande families

Udink aangetroffen, welke niet tot een geslacht kunnen worden verenigd.

Zo komen er in Geesteren in de 17e en 18e eeuw enkele families voor onder de naam

Udink, waarvan geen voorgeslacht bekend is en waarbij geen onderlinge verwantschap

valt aan te tonen. Het gaat hier waarschijnlijk om gezinnen die zich noemen naar de

naam van het erf Uding, waar zij werken en wonen.

Ook in het nabijgelegen Rekken, Gelselaar en Neede komt de naam enkele malen voor.

Na die tijd vindt men niets van hen terug. Ook deze "Geesterense Udink's" worden

afzonderlijk behandeld.

In Deventer vanaf 1376, in Groningen vanaf 1625 en in Amsterdam vanaf 1632 zijn in

kleine getale mensen in registers ingeschreven met namen als Uding, Udink of met

gelijkluidende namen. Een aantal van hen geeft blijk van hun afkomst uit Westfalen.

Al in de 14e eeuw komt in Twente, Salland en de Gelderse Achterhoek de naam Udink

in vele spellingvarianten voor en dit gaat door tot in de 17e eeuw.

Uit al hetgeen uit vroeger eeuwen is teruggevonden blijkt een sterke binding van

de naam Udink met de gebieden, gelegen onmiddellijk ten oosten van de tegenwoordige grens met Duitsland.

 

Hieronder nu eerst een verklaring over de oorsprong van de familienaam Udink zoals

die wordt gegeven door B.J.Hekket in zijn uitgave "Oost-Nederlandse Familienamen".

De bevolking van Oost-Nederland stamt af van de Saksen, een Germaanse volksgroep

die in het begin van onze jaartelling in Sleeswijk-Holstein woonde en zich in de

loop van vele eeuwen heeft verplaatst. De verschillende dialekten die zij spraken,

worden gezamenlijk als Oud-Saksisch aangeduid, ook wel Oost-Nederduits en later

Nederduits. Dit omvat behalve de dialekten van Noordwest-Duitsland, ook die van

Oost-Nederland, d.w.z. het Achterhoeks, het Twents, het Sallands en het Drents.

Een van de opvallendste kenmerken van de Oost-Nederlandse familienamen is de

uitgang -ing, waarvan -ink een uitspraakvariant is, ontstaan door verscherping

van de slot-medeklinker. Deze uitgang kwam voor in het gehele vroeg-germaanse

taalgebied en had de hoofdbetekenis van " behorende aan ", die ook kan worden

uitgelegd als " zoon van " en het is vooral in deze betekenis dat we hem, gehecht

aan voornamen aantreffen.

Oud-germaanse voornamen waren Odo en Udo, waarvan Odo is ontleend aan het germaanse

zelfstandige naamwoord "od" (uitspraak "ood"), dat "grond, erfgoed" betekende.

Van "od" is "ud" (uitspraak "oed") een klankwisseling, maar geen betekeniswisseling.

Uit Odo en Udo zijn de namen Oding en Uding ontstaan ongeveer vanaf de 10e eeuw.

De betekenis was "zoon van Odo of Udo"; het kan ook wel betekenen "het huis of erf

van Odo of Udo". Wij hebben hier te maken met zogenaamde patronymica of vadersnamen,

die van een voornaam zijn afgeleid, zoals bijvoorbeeld Jansen en Teunissen.

Wanneer in oude tijden iemand zich Odink noemde en zich ergens vestigde, dan werd

zijn huis of erf voor lange tijd naar hem genoemd en ontstond er een erfnaam Odink.

Ook de latere bewoners, al of niet verwanten, eigenden zich deze erfnaam als een

persoonsnaam toe. Deze naam valt dan verder onder de groep "plaatsnamen", zoals

bijvoorbeeld "van Voorst". Deze overgang in betekenis werd vergemakkelijkt doordat

de uitgang -ing ook wel het begrip "woonplaats van" of "gelegen bij" weergaf.

De betekenis "zoon van" is lang gebleven (14e eeuw) maar voor vrijwel alle namen op

-ing of -ink moeten wij aannemen dat het oorspronkelijk erfnamen zijn, zodat iemand

die Wilmink heet, vrijwel zeker niet van een voorvader Willem stamt maar van een

erve Wilmink. Hetzelfde is het geval met Uding, Oding, Odink en Udink, al is hierin

voor ons de voornaam niet zo duidelijk herkenbaar. - Aldus de schrijver Hekket.

Het gebruik van erfnamen is eeuwenlang voorgekomen en maakt het bij familieonderzoek

moeilijk om verwantschappen vast te stellen.

In ons geval doet deze moeilijkheid zich voor bij de Udink's die onder Geesteren werden aangetroffen. Deze kunnen dan ook slechts fragmentarisch worden weergegeven.

Het voorgaande leert dat de germaanse woorden Od en Ud dezelfde betekenis hebben,

dat Oding en Uding daarvan afgeleide vadersnamen, later erfnamen zijn, en dat Odink

en Udink uitspraakvarianten zijn, ontstaan door verscherping van de slotmedeklinker.

Dat wil echter niet zeggen dat eenvoudigweg Odink uit Oding en Udink uit Uding is

voortgekomen. Het onderzoek naar de Holtense Udink's heeft aangetoond dat de oudst

gevonden naam werd geschreven als Odinck zowel als Oedinck, daarna een tijdlang als

Oeding en daarna blijvend Udink.

De menselijke stem van weleer is nooit vastgelegd en wij moeten afgaan op wat de

schriftstellers daarvan in hun tijd maakten; zij schreven de namen op, zoals zij

die verstonden en in de voor hen gebruikelijke spelling.

Door allerlei oorzaken ondergaat een taal in de loop van eeuwen echter veranderingen

zowel in uitspraak als in schrijfwijze, met als gevolg dat ons de verschillen daarin

opvallen wanneer wij de oorspronkelijk zelfde namen door de eeuwen heen vergelijken.

Behalve onduidelijke uitspraak is ook willekeurige of slordige schrijfwijze tot in

de eerste helft van de 19e eeuw oorzaak van verschillen in de tenaamstellingen.

Daarna liggen de familienamen in de registers van de Burgerlijke Stand behoorlijk

vast, al werden ook toen nog wel eens overnamefouten gemaakt.

Een voorbeeld hiervan vinden wij bij de eerder genoemde Udink's die afstammen van

een echtpaar Uding in Dinslaken, waarvan een zoon in Den Haag terechtkwam en daar in

1680 trouwde. Zijn nakomelingen vormen in Nederland een geslacht Uding, waaruit één

uitzondering ontstond, toen bij het huwelijk van een zoon in 1855 de moeder bezwaar

maakte tegen de spelling Uding welke was overgenomen uit de overlijdensakte van de

vader in 1833. Deze familietak behield daarna de naam die zij steeds als Udink

hadden uitgesproken en zet deze tot op heden voort in twee gezinnen met samen vijf

personen. In dit geval is Udink duidelijk voortgekomen uit Uding.

De Holtense Udink's komen voor in de kerkboeken van Holten die vanaf 1706 bewaard

zijn gebleven. Hun afkomst kan nog worden teruggebracht tot het jaar 1593 op grond

van vermeldingen in het Rechterlijk Archief van Holten en het Markeboek van Holten.

Hoewel er uitgebreid onderzoek is gedaan naar de naam Udink, of varianten daarvan,

in Overijssel, Drente en Gelderland, als ook in de duitse grensgebieden, is er in

het gevonden materiaal geen aanknopingspunt te vinden met het Holten van voor 1593.

Het antwoord op de vraag waar de Holtense Udink's vandaan komen is niet te geven.

In de genealogie Enterman met dezelfde stamvader, is hierover wel een gedachte

ontwikkeld en is de mogelijkheid geopperd, dat de stamvader van de Holtense Udink's

zijn naam ontleent aan het erf Odinck onder Collendoorn bij Hardenberg.

Dit is te vinden in het hoofdstuk "De stamvader Arent Oedinck in Holten".

Onderzoek is nog gaande of de stamvader uit Deventer naar Holten kan zijn getrokken.

Daar leefden in de 16e eeuw ook Udink's, afkomstig uit "het Münsterse" in Westfalen.

Omdat de kernvraag niet beantwoord kon worden, is vervolgens getracht een beeld te

verkrijgen van waar en wanneer de naam Udink en varianten daarvan in het verleden

zijn voorgekomen en of daarvan nog verbindingen met het heden aanwezig zijn.

De vele Udink-namen die hierbij gevonden zijn blijken echter niets van doen te

hebben met de Holtense Udink's en ook heden niet meer voort te bestaan.

Zoals reeds gezegd kwam de naam al voor in 14e eeuw. Er is een aantal erven met de

naam bekend uit de 14e en 15e eeuw. De oorsprong is niet te achterhalen en wij

moeten het doen met de uitleg die taalkundigen daaraan geven.

Van bewoners die de naam zouden hebben overgenomen is weinig meer te vinden.

Er zijn enkele inschrijvingen in oude registers en archieven waarin de naam voorkomt

en die getuigen van handelingen van mensen met de naam Udink en varianten daarvan.

Hun afkomst is echter onbekend maar zij zouden te maken kunnen hebben met die erven

dan wel van elders gekomen moeten zijn.

De meeste overige Udink- en daarop gelijkende namen uit de tijd voor 1800 zijn te

vinden in de oude stedelijke registers van Deventer, Amsterdam en Groningen.

Daaruit zijn ook enkele familieverbanden aan te geven, maar van al deze Udink's is

geen nageslacht onder die naam meer in leven.

Hoewel dus dit gedeelte van het onderzoek niets heeft opgeleverd, dat in verband kon

worden gebracht met de Holtense Udink's, geeft het toch een totaalbeeld over de naam

en toont het tevens aan hoe uniek de Holtense Udink's zijn, die ruim 400 jaar hun

familienaam hebben gehandhaafd.

De resultaten van dit onderzoek zijn de moeite van het nalezen waard en de gegevens

behoeven, eenmaal vergaard en samengebracht, niet weer aan de vergetelheid te worden

prijsgegeven. Al het materiaal werd gerangschikt in een afzonderlijk deel III.

SYSTEEMBESCHRIJVING

 

 

 

Genealogie is geslachts- of familiekunde en betreft het onderzoek naar afkomst

en herkomst van een geslacht of familie.

Het bijeengebrachte materiaal van zo'n onderzoek noemt men eveneens genealogie.

 

Een genealogie wordt ook vaak een stamboom genoemd, omdat het materiaal meestal

wordt gerangschikt en weergegeven op een wijze die overeenkomst vertoont met de

stam, de hoofdtakken en de verschillende zijtakken van een boom, een rangschik-

king derhalve die uitgaat van een gekozen beginpunt en daarvan uitwaaiert in de

lengte en breedte.

 

Algemeen is dit beginpunt het meest ver teruggevonden ouderpaar, dat de eerste

generatie vormt en waarvan de vrouw ook onbekend mag zijn omdat men vandaar af

de manlijke lijn volgt waarlangs de familienaam vererft.

Dit in tegenstelling tot de parenteel waarin men ook de vrouwelijke lijn volgt

en waarbij men op andere genealogieen terechtkomt en kan aansluiten.

 

De structuur van deze genealogie is hieronder in beknopte vorm weergegeven.

Het schema toont achtereenvolgens splitsingen, eerst in stammen, daarna in

hoofdtakken gevolgd door zijtakken. De generaties staan in romeinse cijfers.

 

 

 

 

I II III VI XIV

 

Stamvader ────┬─ overige stammen/andere genealogie

± 1560

└─ Udink stam ────┬─ Hoofdtak 1 ───── ten einde 1811

└─ Hoofdtak 2 ────┬─ 1e zijtak ──────── heden

├─ 2e zijtak ──────── heden

├─ 3e zijtak ──────── heden

└─ 4e zijtak ──────── heden

 

 

 

 

De zijtakken splitsen zich steeds verder tot familiegroepen en tot afzonderlijke

families en om deze van elkaar te kunnen onderscheiden en daarvan alle leden aan

te duiden heeft men een geschikt nummersysteem nodig.

 

Het klassieke nummersysteem is hiervoor niet toegepast omdat de samensteller de

genealogie op een eigen wijze heeft willen presenteren aan de hand van schema's

en overzichten en dit maakte het nodig om een eigen nummerstelsel te ontwerpen.

Eventuele gelijkenis hiervan met een al bestaand systeem berust op toeval.

Dit systeem kent in elke generatie nieuwe afgeleide nummers toe, die herkenbaar

blijven in de volgende generaties hetgeen ertoe leidt dat op de eerder genoemde

splitsingen vanaf de stam elke hoofdtak en zijtak en elke kleinere familiegroep

blijvend kan worden aangeduid met het nummer dat op de splitsing terecht kwam.

Het begint in generatie II met de letter U en nummert om, in generatie VI, naar

A t/m D. Dit als gevolg van de omstandigheid dat de generaties I t/m III samen-

vallen met een andere genealogie, met klassieke nummering, waarvan op passende

wijze moest worden afgesplitst.

 

 

I     II    III   VI    XIV

 

Stamvader   U     U1    ten einde

           

            U2    A     heden

                  B     heden

                  C     heden

                  D     heden

 

 

Basis is het toekennen aan elk kind van een onveranderd gehandhaafd relatienummer

dat met de beginletter aangeeft tot welke tak het behoort en dat is samengesteld

uit het nummer dat eerder aan de vader werd toegekend en waaraan wordt toegevoegd

een oplopend geboortecijfer voor elke zoon en geboorteletter voor elke dochter.

In iedere volgende generatie worden deze relatienummers 1 positie langer en van

nummers met gelijke lengte weet men dus dat ze tot dezelfde generatie behoren.

Ieders plaats in het systeem is te vinden door in het register van familienamen

de naam van de echtgenoot, echtgenote of moeder op te zoeken. Met het daarachter

vermelde relatienummer van de vader vindt men het gezinsblad waarop men voorkomt.

Wil men weten wie zijn of haar rechtstreekse voorouders zijn, dan vindt men deze

door uit te gaan van het gevonden relatienummer en terug te lezen in het schema.

Men volgt dan de nummering in dalende lijn, b.v. de voorouders van C 3511-221 zijn:

 

C 3511-22, C 3511-2, C 3511, C 351, C 35, C 3, C (= U 2424), U 242, U 24, U2, U.

 

In het eigen nummer liggen de nummers van de rechtstreekse voorouders besloten.

Door vergelijking kan men nagaan welke voorouders men gemeenschappelijk heeft.

Hoe langer de reeks begincijfers exact gelijk is, des te nader is de verwantschap.

 

C 3511 en C 3512 zijn broers omdat hun vader C 351 is.

D 2221 en D 2231 zijn neven omdat hun grootvader D 22 is

 

Van elke gehuwde man is een gezinsblad gemaakt waarop alle gezinsleden met nummer

staan vermeld. Men vindt hierop ook de vroeggestorven kinderen, de ongehuwde zonen

en de al of niet gehuwde dochters, welke niet op de relatieschema's voorkomen.

Van de getrouwde dochters zijn de huwelijken vermeld met hun echtgenoten.

DE STAMVADER ARENT ODINCK OF OEDINCK IN HOLTEN

 

 

 

 

In november 1986 publiceerde W.Enterman te Voorburg, in "Gens Nostra", maandblad

der Nederlandse Genealogische Vereniging, opnieuw zijn genealogie met als titel

" Het Sallandse Geslacht Enterman ", in vervolg op een eerdere versie van 1975.

Hij was gekomen tot een oudste voorvader Arent Odinck of Oedinck die in 1593 wordt

vermeld te Holten en vond van hem vijf zonen Lambert, Arent, Joost, Egbert en Roelof

met nageslacht waarin de naam Oedinck niet was terug te vinden.

Enterman beschrijft in 1986 voornamelijk de tweede zoon, Arent Arentsen, die hem

brengt naar de huidige geslachten Enterman en Schaap Enterman.

Deze genealogie Udink was in 1986 zover gevorderd dat als oudste voorvaders konden

worden genoemd een Gerrit en Hendrick Teunissen Stokkers, mogelijk broers en zonen

van een vader Teunis en een moeder Hendrina, allen te Holten en naar later bleek

beide kleinzonen van Roelof Arentsen, de vijfde gevonden zoon van Arent Oedinck.

In beide genealogieën kwamen namen voor met opvallende gelijkenis, evenwel zonder een

familienaam die aan Udink deed denken maar van voldoende belang voor de onderzoekers

om met elkaar in kontakt te treden. Gezien de geringe omvang van het dorp Holten en

haar bewoners omstreeks 1700 was het, achteraf bezien niet bijzonder dat ergens in

beide onderzoeken een verbinding moest bestaan.

Verrassend echter was wel, dat de aansluiting kon worden gelegd bij Arent Oedinck,

die de gemeenschappelijke stamvader bleek te zijn en wiens naam behouden bleef in

het geslacht " Udink ". Hieronder volgt Enterman's beschouwing over Arent Oedinck.

 

 

- - - - - -

 

 

" Het Sallandse geslacht Enterman is bewijsbaar afkomstig uit Holten, waar de

stamvader Arent Odinck of Oedinck voor het eerst in 1593 wordt genoemd.

Om twee redenen is het vrijwel zeker, dat hij geen geboren Holtenaar was.

In de eerste plaats, omdat hij nooit met een patroniem voorkomt, hetgeen zeer

uitzonderlijk is. Dit moet wel betekenen dat Arent's vader in Holten onbekend was.

In de tweede plaats omdat in de marke Holten geen goed met de naam Odinck bestond

of had bestaan waaraan Arent zijn naam kon hebben ontleend. Het was immers op het

platteland in Oost-Nederland gebruikelijk dat men de naam voerde van het goed c.q.

boerderij waarop men woonde of waarvan men afkomstig was.

Nu hebben Overijssel en omgeving verscheidene goederen Odinck gekend, zodat het niet

eenvoudig is uit te zoeken, laat staan vast te stellen van welke Odinck hij afkomstig

zou kunnen zijn. Toch zijn er twee aspecten uit het leven van Arent Odinck die bij

het zoeken naar zijn herkomst van belang zijn. Ten eerste het feit dat Arent Odinck

aantoonbaar kon lezen en schrijven. Dat is een sterke aanwijzing voor een voorlopige

conclusie, dat hij geen eenvoudige boerenzoon kan zijn.

Ten tweede is hij op het, door de krijgsverrichtingen tijdens de 80-jarige oorlog

geteisterde Overijsselse platteland, een relatief opvallend kapitaalkrachtig man.

Juist de boerenbevolking is toen vrijwel aan de bedelstaf geraakt. Dit leidt tot

een tweede voorlopige conclusie, dat Arent geen boerenachtergrond kan hebben.

Beide voorlopige conclusies versterken elkaar, zodat het onontkoombaar lijkt de

herkomst van Arent Odinck te zoeken in een "stedelijke" omgeving.

Daarvan uitgaande lijkt slechts het stadje Gramsbergen in aanmerking te komen waar

Odincks vanaf de 15e eeuw een voorname rol spelen. Als representanten mogen worden

genoemd: " Heer Geert Oding ", pastoor van Gramsbergen, overleden 29-6-1483, diens

nicht Katrinn Oding die 21-09-1488, ter nagedachtenis van haar oom de St.Margarete

vicarie in de kerk van Gramsbergen sticht, alsmede Lambert Odijnck die 1539 - 1552

als richter of schout van Gramsbergen voorkomt. De voornaam Lambert zullen wij bij

de Holtense Odinck's weer tegenkomen.

De Gramsbergense Odinck's ontlenen hun naam middellijk of onmiddellijk aan het erf

"Odinck" onder Collendoorn in het kerspel Heemse. Gramsbergen heeft in sterke mate

de lasten van de oorlogshandelingen aan het einde der 16e eeuw moeten ondergaan in

verband, vooral met de strijd om de sterke, en strategisch belangrijke vestingstad

Coevorden. De streek ging van hand tot hand, en werd laatstelijk anno 1593 door de

Spaanse troepen onder "Verdugo" bezet. Dit jaar valt samen met het verschijnen van

Arent Odinck te Holten, zodat het verleidelijk is, om daarin een samenhang te zien

Gedacht kan worden dat Arent Odinck en zijn jonge vrouw in of kort voor 1593, voor

of na de bezetting door Verdugo, Gramsbergen zijn ontvlucht.

Daar hij tot een voorname Gramsbergense familie behoort, ligt het voor de hand dat

hij kan lezen en schrijven en dat hij over enig kapitaal beschikt.

Daar de stad Deventer, sinds 1591 vast in Staatse handen is, mag worden aangenomen

dat zij in die richting zijn weggetrokken. En wellicht zijn zij onderweg in Holten

gestopt en zagen daar mogelijkheden zich een nieuwe toekomst op te bouwen."

W.Enterman.

- - - - - -

 

Onder alle voorbehoud zou Lambert Odijnck de vader van Arent Oedinck kunnen zijn

maar omdat hiervoor geen bewijs is, kunnen wij hem niet als de stamvader beschouwen.

Er zijn 3 akten bekend waarin Lambert Odijnck voorkomt.

02-8-1539 "Ick Lamberth Odijnck een ghesworen Richter tho Gramsberghe van weghenn

der Erfgenamen bekenne ende betuighe, meth dessen open beseghelden richterschijne

dat vor mij, dair ick sadt tho gherichte mit mijnen coernoten hijr nae beschreven

als ick met rechte solde, ghecomen is, ..... enz "

29-4-1548 "Ick Lambert Odijnck, deser tijt vth sonderlinge befeel, vnd van weghen

der Erfgenamen Richter tot Gramsberge, doe kundt vnd tuige openbaerlick, mijt der

waerheit certificerende, Dat vor mij, dair ick sath tho gherichte, mijt gespannen

banck oirkonde kornoten des gerichts hijr nae beschr. erschennen ..... enz"

De enige nog bestaande akte is van 06-03-1548 waarin hij als Richter optreedt

Uit deze akte blijkt dat Lambert Odijnck over een zegel met een wapen beschikte.

Helaas is het zegel er afgevallen zodat wij nooit zullen weten wat dat wapen was.

 

 

... hebben Everdt Heijnen end Johan Wilperhaer elck vor sijck, tegenwoerdich

Lambert Odinck Richter tho Gramsberge, elck oer aenparth zie daeran hebn end

krijgen moegen gerichtich opgedraegen end anghegeven...

TWEE GENEALOGIEEN MET EEN ZELFDE STAMVADER

 

 

De Genealogie Udink heeft in Arent Oedinck dezelfde stamvader die hiervoor in de

Genealogie Enterman is genoemd. Onderstaand schema toont de generaties I t/m III.

 

I II III

Arent ──┬─ n Lambert Arentsen

Oedinck │ Oedinck

± 1560 │

├─ n Arent Arentsen ──── n Lambert ─────┐

│ Oedinck Arents │

│ │

├─ n Joost Arentsen ──┬─ n Jan │

│ │ Joosten │

│ │ │

│ └─ n Gerrit │ in de Genealogie

│ Joosten │ Enterman leiden

│ ├───── deze takken tot

├─ n Egbert Arentsen ──── n Egbert │ andere geslachten

│ Oedinck Egberts │

│ │

└─ U Roelof Arentsen ──┬─ n Egbert │

Oeding │ Roelofs │

│ │

├─ n Arent ─────┘

│ Roelofs

├─ U1 Lambert ─────────── Genealogie Udink

│ Roelofs Hoofdtak 1

└─ U2 Teunis ─────────── Genealogie Udink

Roelofs Hoofdtak 2

 

 

n de klassieke nummering van de Genealogie Enterman is

hier weggelaten om onderlinge verwarring te voorkomen

 

Deze drie generaties leefden en woonden in Holten.

De Genealogie Enterman leidt tot de geslachten Enterman, Hendriks, Janzen, Joosten,

Polsvoort, Nijmeijer en Schaap Enterman. De naam Udink komt daar niet in voor.

In de Genealogie Udink keert de oorspronkelijke naam Oedinck terug, gedeeltelijk in

de generaties IV en V als Udink of als Uding en volledig in generatie VI als Udink.

Hiernaast de generaties III t/m VI met de Hoofdtakken 1 en 2 van de Genealogie Udink.

Tak 1 komt in generatie IV in Amsterdam terecht en eindigt daar kinderloos.

Nicolaas geeft zijn naam aan het Udink-fonds, Marten aan het geslacht Udink ten Cate

en Theunis aan het geslacht Roessingh Udink.

In Tak 2 trekken U21 en U22 eveneens naar Amsterdam waar hun familie eindigt zonder

manlijke opvolgers. U23 bleef in Holten maar zijn nageslacht is na generatie V als

Udink onbekend en kan niet verder worden gevolgd.

U24 tenslotte blijft in Holten waar de oorsprong ligt van het huidige geslacht Udink

dat zich vanaf generatie VI tot heden voortzet in de takken A t/m D.

GENEALOGIE UDINK GENERATIES III t/m VI

 

 

HOOFDTAK 1

 

III IV V VI

U1 Lambert ──── U11 Teunis ───── U111 Barend ────┬─ U1112 Nicolaas

Roelofs Lamberts Udink │ Udink

± 1633 Udinck │

├─ U1114 Marten

│ Udink

└─ U1119 Theunis

Udink

HOOFDTAK 2

 

 

U2 Teunis ──┬─ U21 Teunis ───┬─ U212 Roelof

Roelofs │ Udink │ Udink

± 1635 │ │

│ └─ U215 Abraham

│ Udingh

├─ U22 Roelof

│ Teunissen

│ Udink

├─ U23 Hendrick ──── U231 Teunis

│ Teunissen Hendriks

│ Stokkers Stokkers

└─ U24 Gerrit ────┬─ U241 Teunis ────┬─ U2411 Engbert Teunissen

Teunissen │ Gerritsen │ Udink

Stokkers │ │

│ ├─ U2412 Jan Teunissen

│ │ Udink

│ │

│ ├─ U2415 A Gerrit Teunissen

│ │ Udink

│ │

│ └─ U2417 B Derk Teunissen

│ Udink

│ └─ U242 Jan ───────┬─ U2423 Zwier Jansen

Gerritsen │ Udink

├─ U2424 C Gerrit Jansen

│ Udink

└─ U2425 D Teunis Jansen

Udink

 

 

In generatie VI eindigen de U nummers en beginnen er 4 takken met de letters A t/m D

STAMVADER

Arent Oedinck     1 Jenneken Arents

geb ± 1560/1565   geb ± 1600-1610   huwt Jan Henrix Slootman

ovl ± 1629/1630   verder onbekend   zij maken op 06-03-1683

            een testament

trouwt ± 1592/93 

een vrouw genaamd 2 Lambert Arentsen Oedinck

Marteen (Merten) geb ± 1592/1593   geen nageslacht gevonden

      ovl voor 28-12-1662

hij is misschien

een zoon van

      3 Arent Arentsen Oedinck     II A in de Gen.Enterman

Lambert Odijnck

of Oding    geb ± 1594/1595   voorouder van het

      ovl na 28-07-1675 geslacht Enterman

richter en schout

te Gramsbergen in

de periode 1539-1552    4 Joost Arentsen II B in de Gen.Enterman

waarvoor geen bewijs

      geb ± 1596/1598   voorouder van het

hij wordt voor het      ovl ± 1675/1681   Lochemse regenten

eerst genoemd te        geslacht Joosten

Holten in 1593 welk

jaar samenvalt met

de bezetting van de     5 Egbert Arentsen Oedinck    II C in de Gen.Enterman

vesting Coevorden

door Spaanse troepen    geb ± 1599/1600   van zijn nageslacht

      ovl voor 10-02-1655     is weinig bekend

mogelijk is hij uit

die omgeving gevlucht

om in Holten terecht    6 Roelof Arentsen Oeding     U in de Genealogie Udink

te komen

      geb ± 1601-1607   voorouder van het

zie verder op blz 22    ovl ± 1683-1685   geslacht Udink

de persoonsbeschrijving

 

 

U

┌─────────────────────────┐ ┌─

Roelof Arentsen Oeding │ │1 Lambert volgt op blz 18

│ │ │

geb ± 1601/07 Holten │ │ geb ± 1633 trouwt Aeltjen Egberts

│ ovl ± 1683/85 onbekend │ │ Holten, ovl onbekend verder onbekend

│ │ │ na 26-11-1711

kleermaker aan Snijders │ │

in 't Dorp Holten │ │2 Teunis volgt op blz 54

│ │ │

zoon van │ │ geb ± 1635 trouwt Hendrina

│ │ │ Holten, ovl onbekend waarschijnlijk

Arent Oedinck │ │ ± 1689-1693

│ │ │

komt voor als │ │a Aaltjen

Snider Roeloff │ │

│ │ │ geb ± 1643 zij komt voor in een

huwelijken: │ │ Holten akte van 16-02-1671

│ ├───┤

1.Teunisken (mogelijk) │ │b Mechteld

│ tr ± 1630 │ │ Roelofs

│ │ │

2.Lijsebeth de Borkel │ │ geb ± 1645 trouwt Jan van Holten

van Arnhem │ │ Holten, ovl onbekend ovl voor 01-10-1696

│ tr 07-02-1637 Deventer│ │ voor 01-10-1696

│ │ │

hij maakt 16-06-1680 │ │3 Egbert

als Roloff Arents │ │ geb ± 1647 ovl na 27-09-1711

een testament waarin │ │ Holten

zijn te Amsterdam │ │

wonende dochters │ │4 Arent

│ Geertruijd, Lijsbeth │ │ geb ± 1653 ovl voor 25-02-1714

en Martijntjen │ │ Holten

│ worden benoemd │ │

│ │ │c Geertruijd otr Amsterdam Lambert Otten Warnsing

hij moet zijn │ │ Roelofs 22-09-1679 geb ± 1652/53 Amsterdam

overleden │ │ ovl voor 31-10-1729

│ │ │ geb ± 1649/50 backer, zoon van Otto

na 06-03-1683 en │ │ Holten, mogelijk Lambers, komt voor als

voor 08-06-1685 │ │ bgr 31-10-1729 getuige op 23-11-1708

│ │ │ te Amsterdam als bij de ondertrouw van

zie verder op blz 24 │ │ Geertruij Udink Teunis Lambertse "Udonk"

de persoonsbeschrijving │ │ op het St.Jorishof van Holten (U 11)

│ │ │

└─────────────────────────┘ │d Lijsbeth otr Amsterdam Gerrit Hendricksz

Roelofs 03-05-1686 van Witmond

geb ± 1660/61

Egbert en Arent │ geb ± 1655/56 schoenmaker

zijn mogelijke zoons │ Holten, mogelijk

waarvoor echter geen │ bgr 18-10-1717

bewijs is gevonden. │ Amsterdam

Zij worden hier niet │

gevolgd omdat in hun │e Martijntjen otr Amsterdam Frans Jansz van

nageslacht de naam │ Roeloffs 08-06-1685 Langelaer

Udink niet voorkomt. │ geb ± 1656 te (-)ombergh

Zie III E en F in de │ geb ± 1656/57 backer

Genealogie Enterman. │ Holten, waarsch huwelijksgetuige is haar

│ bgr 23-07-1719 zuster Geertruyd;

│ Amsterdam zelf is zij getuige bij

de doop op 07-09-1692

van Roelof Udink (U 212)

└─

U 1

┌─────────────────────────┐ ┌─

Lambert Roelofs │ │1 Teunis Lamberts

│ │ │

geb ± 1633 Holten │ │ geb ± 1670/71 otr Amsterdam Aeltje Jans Tops

│ ovl na 26-11-1711 │ │ Holten 06-04-1696 geb ± 1660

│ │ │ bgr 19-3-1762 Harderwijk

kleermaker aan │ │ Amsterdam

│ Snijders in 't Dorp │ │ otr Amsterdam Barendina Ottenhoff

│ │ │ 23-11-1708 geb ± 1676

bijgenaamd │ │ Stad Delden

│ Snijder Lambert of │ │ bgr 21-10-1728

│ Lambert de Snijder │ │ Amsterdam

│ │ │

zoon van │ │

│ │ │

Roelof Arentsen Oeding │ │

│ │ │

trouwt vóór 13-05-1681 │ │

│ │ │

Aeltjen Egberts │ │

│ ├───┤

dochter van │ │

│ │ │

Egbert Wevers │ │

│ │ │

die misschien │ │

identiek is aan │ │

│ │ │

Egbert Arentsen Oedinck │ │

│ │ │

│ 4e zoon van de stamvader│ │

│ │ │

in dat geval is Aeltjen │ │

│ Egberts zijn nicht │ │

│ │ │

hij wordt vermeld in │ │ er zijn geen andere kinderen bekend

het Rechterlijk Archief │ │

van Holten van 1681-88 │ │

│ │ │

zie verder op blz 25 │ │

de persoonsbeschrijving │ │

│ │ │

└─────────────────────────┘ └─

 

U 11

┌─────────────────────────┐ ┌─

Teunis Lamberts Udinck │ │a Alida

│ │ │

│ dp ± 1670/71 Holten │ │ geb ± 1710 trouwt Marten Kooy

│ bgr 19-3-1762 Amsterdam │ │ Amsterdam Amsterdam dp 24-01-1706 Zandeweer

│ │ │ bgr 07-04 1780 24-03-1739 bgr 12-05-1787 Amsterdam

coorndrager, backer │ │ Amsterdam

poorter van de stad │ │ geb als Meerten Harmens

│ Amsterdam │ │ zoon van Harm Peters te

│ │ │ Middelstum, varende man

zoon van │ │ tot aan zijn huwelijk,

│ │ │ daarna koopman, werd

Lambert Roelofs │ │ poorter van Amsterdam

en │ │ 14-07-1739, herkomst van

Aeltjen Egberts │ │ de naam Kooy is onbekend,

│ │ │ hij en zijn nageslacht

│ otr 06-04-1696 Amsterdam│ │ staan vermeld in het

│ │ │ Nederl. Patriciaat.

Aeltje Jans Tops │ │

│ │ │

geb ± 1660 Harderwijk │ │

│ ovl voor 23-11-1708 │ │

│ ├───┤

uit dit huwelijk │ │1 Barend

geen kinderen │ │

│ │ │ dp 18-05-1712 trouwt Catharina Hoedemaker

│ otr 23-11-1708 Amsterdam│ │ Amsterdam Enschede geb 21-03-1721 Enschede

│ │ │ bgr 04-07-1775 14-03-1742 bgr 12-01-1798 Amsterdam

Bernardina Ottenhoff │ │ Amsterdam ondertrouw

│ │ │ 16-02-1742

geb omstreeks 1675/76 │ │ Amsterdam

in de Stad Delden │ │

│ bgr 21-10-1728 │ │

in Amsterdam │ │

│ │ │

dochter van │ │

│ │ │

Berent Ottenhoff │ │

en │ │

Fenneken Hoedemaker │ │

│ │ │

zij woonden in de │ │

│ Oude Nieuwstraat bij │ │

de Korsjespoortsteegh │ │

│ │ │

zie verder op blz 26 │ │

de persoonsbeschrijving │ │

│ │ │

└─────────────────────────┘ └─

U 111

┌─────────────────────────┐ ┌─

Barend Udink │ │1 Anthonij I

│ │ │ dp 06-01-1743 bgr 06-03-1745

│ dp 18-05-1712 Amsterdam│ │ Amsterdam Amsterdam

│ bgr 04-07-1775 Amsterdam│ │

│ │ │2 Nicolaas

grootkoopman, reder │ │ dp 07-02-1745 ongehuwd ovl 05-10-1805

en bankier, zoon van │ │ Amsterdam Amsterdam

│ │ │

Teunis Lamberts Udinck │ │3 Anthonij II

en │ │ dp 18-01-1747 bgr 04-05-1750

Bernardina Ottenhoff │ │ Amsterdam Amsterdam

│ │ │

│ otr 16-02-1742 Amsterdam│ │4 Marten Lammerdina Kooij

│ tr 14-03-1742 Enschede │ │ dp 25-07-1748 ondertrouw geb ± 1752 Amsterdam

│ │ │ Amsterdam Amsterdam bgr 13-05-1775 Amsterdam

Catharina Hoedemaker │ │ ovl 13-05-1808 08-12-1774

│ │ │ Amsterdam Cornelia Margaretha

geb 21-03-1721 Enschede │ │ trouwt (2) Le Grand

│ ovl 06-01-1798 Amsterdam├───┤ Amsterdam geb ± 1754 Amsterdam

│ │ │ 24-06-1777 bgr 06-09-1805 Amsterdam

dochter van │ │a Anthonia

│ │ │ dp 05-08-1750 bgr 21-10-1750

Nicolaas Hoedemaker │ │ Amsterdam Amsterdam

en │ │

Maria Geertruid Stroink │ │b Maria Geertruij

│ │ │ dp 19-12-1751 bgr 13-07-1757 n

zij woonden eerst op de │ │ Amsterdam Amsterdam

│ Nieuwendijk bij de │ │

│ Dirk van Assesteegh │ │5 Teunis I

daarna op de │ │ dp 16-12-1753 bgr in 1759 n

│ N.Z.Voorburgwal │ │ Amsterdam Amsterdam

│ │ │

│ Barend werd zeer rijk │ │6 Hendrik

│ │ │ dp 11-04-1756 bgr in 1759 n

zie verder op blz 28 │ │ Amsterdam Amsterdam

de persoonsbeschrijving │ │

└─────────────────────────┘ │c Barendina I

│ dp 15-06-1757 bgr 13-07-1757 n

│ Amsterdam Amsterdam

d Barendina II

│ dp 23-07-1758 bgr 13-08-1758

│ Amsterdam Amsterdam

de begrafenissen │e Maria Barendina

vonden plaats op de │ dp 11-01-1761 bgr in 1762 n

volgende data : │ Amsterdam Amsterdam

13-07-1757 2 dochters │7 Barend I

05-03-1759 1 kind │ dp 16-05-1762 bgr in 1762

03-10-1759 1 kind │ Amsterdam Amsterdam

11-06-1762 1 kind │

27-12-1762 1 kind │8 Barend II

│ dp 19-10-1763 bgr 15-03-1769

│ Amsterdam Amsterdam

│9 Theunis Hermanna Steenberg

│ dp 25-09-1765 ondertrouw dp 20-03-1765 Enschede

│ Amsterdam 13-10-1786 ovl 22-04-1819 Enschede

│ ovl 26-09-1811 Amsterdam

└── Enschede huwelijk te Enschede gesloten

U 1112

┌─────────────────────────┐

Nicolaas Udink

│ │

│ dp 07-02-1745 Amsterdam│

│ ovl 05-10-1805 Amsterdam│

│ ├──── ongehuwd zie op blz 28 zijn

koopman, reder, bankier │ persoonsbeschrijving

└─────────────────────────┘

U 1114

┌─────────────────────────┐

Marten Udink

│ │

│ dp 25-07-1748 Amsterdam│

│ ovl 13-05-1808 Amsterdam│

│ │

koopman, reder, bankier │

│ │

│ otr 08-12-1774 Amsterdam│

│ │

Lammerdina Kooy

│ │

geb ± 1752 Amsterdam│

│ bgr 13-05-1775 Amsterdam│

│ ├─── geen kinderen zie op blz 32 zijn

dochter van Marten Kooy │ persoonsbeschrijving

en Alida Udink

│ │

│ htr 24-06-1777 Amsterdam│

│ │

Cornelia Margaretha

le Grand

│ │

geb ± 1754 Amsterdam│

│ bgr 06-09-1805 Amsterdam│

│ │

dochter van │

Petrus Leonardus leGrand

│ │

└─────────────────────────┘

U 1119

┌─────────────────────────┐

Theunis Udink

│ │

│ dp 25-09-1765 Amsterdam│

│ ovl 26-09-1811 Enschede │

│ │

│ │

│ otr 13-10-1786 Amsterdam│

│ │

Hermanna Steenberg ├─── geen kinderen zie op blz 33 zijn

│ │ persoonsbeschrijving

│ dp 20-03-1765 Enschede │

│ ovl 22-04-1819 Enschede │

│ │

dochter van │

Jan Steenberg en

Fenneken Hoedemaker

│ │

└─────────────────────────┘

PERSOONSBESCHRIJVINGEN UIT DE GENERATIES I t/m VI STAM EN HOOFDTAK 1

 

 

I ARENT 0EDINCK (STAMVADER)

Geboren, naar schatting, omstreeks 1560/1565 en overleden waarschijnlijk na mei 1629 en vaststaand voor 8 januari 1630. Hij trouwt voor of in 1592/1593 met "Marteen".

Zie ook het hoofdstuk "de Stamvader Arent Oedinck te Holten".

Op 3 april 1593 draagt rentmeester Lubberdinck aan Arent Oedinck voor 50 dalers ad 30 stuivers in pandschap over de katersteden Witte Willem en Krumhoff in de marke Holten (oudste markeboek van Holten). Hij wordt niet genoemd in het Verpondingsregister van 1601/1602, noch in het "Register van peerden, verckens, schapen ende ymen" van 1602.

Bij de verpachting der markegoederen op 7 juni 1611 blijkt Arent Oedinck de katerste-

den Witte Willem en Krumhoff nog in pandschap te hebben (oudste markeboek van Holten). Blijkens de oudst bewaarde markerekeningen van Holten is reeds voor 1611 een nieuw

aangegraven hooimaat "aent Espeloerbroeck" verkocht aan Arent Oedinck en Derck ter Beeck, waarvoor in 1611 93-13-0 guldens werden ontvangen. In dezelfde markerekeningen over het jaar 1611 staat vermeld, dat Arent Odinck een bedrag van 22 gl.5 st. schuldig was aan de marke Holten. Daar echter de hogergenoemde Derck ter Beeck hem nog 5-5-0 gl

schuldig was, zal deze dit bedrag aan de marke betalen en betaalt Arent Odinck 17 gl. Bovendien wordt Arent Odinck in de markerekeningen over 1611 vermeld als ontvanger der pacht, vergelijkbaar met de huidige functie van gemeente-ontvanger. Uit het R.A.Holten blijkt, dat Arent Odinck als keurnoot in het Edele Gericht van het Schoutambt Holten optreedt op:

11 juli 1612 23 juni 1619 1 juli 1625 22 juli 1626

22 april 1616 3 juli 1624 19 juni 1626

Op 3 maart 1612 verkopen de "edelh(aften)" Johan Huerninck en Henrick Loescher, als markerichteren van Holten, aan Arent Odinck een derde deel van een "stuickjen velt ader groen landes", waarvan de andere delen toebehoren aan Derck Wilmsen ter Becke. Dit nieuw aangegraven land grensde ten westen aan de marke Bathmen "nha den Percks moerss" en aan de andere zijde aan de mate van markerichter Loscher.

Op 24 september 1612 bekent Arent Odinck een zekere som geld schuldig te zijn aan Caspar van Borck en diens huisvrouw. (Schout op 18 mei 1609 en op 2 juni 1610).

In 1613 lost de marke Holten het pandschap af over de katersteden Witte Willem en Krumhoff; volgens de markerekeningen van 1613 vindt dit plaats voor 75 gulden.

Hierna werd de Witte Willem aan Arendt Oedinck verpacht voor 6-14-0 gulden.

Blijkens het oudste markeboek van Holten hield hij een stuk groenland in pacht voor

de som van 5-14-0-gl. (ongedateerd, maar ± 1613).

In het markeboek van Holten wordt in 1619 de pacht over het in 1613 genoemde stuk groenland vastgesteld op 7-0-0 gl.

Op 30 september 1614 treedt Arnt Odinck als getuige op bij de verkoop van een stuk land onder Holten. Hij ondertekent als volgt: "Arnt Oedinck bekenne alsz bauen". Hieruit blijkt dat hij zowel kon lezen als schrijven: van de acht ondertekenaars zetten drie een merk.

Op 5 november 1614 verkopen Arent Odinck en Marteen, zijn huisvrouw het op 3 maart 1612 gekochte stuk groenland aan Johan Kriger, zijn huisvrouw en hun erfgenamen.

Op 27 januari 1615 dient voor het Edele Gericht van het Schoutambt Holten een zaak van "die E" Francisco de Rostdast, tegen een aantal Holtenaren, waaronder Arnt Odinck.

Op 13 mei 1615 lenen Arent Odinck en Merten, echtelieden, de som van 300 gulden ad

28 stuivers per stuk, en de stuiver tot 15 plakken gerekend, aan Jonker Seijgeer teer Bruiggen (ter Brugghen), schout tot Ommen, en Juffer Anna van Hoevell, zijn huisvrouw.

Als onderpand verkrijgt Arent een hooimaat, genaamd het Nije Toeslach, gelegen in het Lokerbroek, die wijlen burgemeester (van Deventer) Joest toer Bruiggen bij zijn leven van de erfgenamen van het "Huis Holten" had gekocht. Seijger ter Brugghen was in 1601, ten tijde van zijn huwelijk, kastelein (slotvoogd) van het Huis Waardenburg te Holten.

Dit versterkte huis was in de 14e eeuw opgetrokken door de bisschop van Utrecht, ter bescherming van de veiligheid in het Oversticht. In 1383 verkreeg de stad Deventer

het recht, dat steeds een Deventer burger kastelein van het Huis te Holten zou zijn. Na verloop van tijd kwam dit ambt erfelijk in het bezit van het overoude Deventer regeringsgeslacht ter Brugghen.

In de marge van deze akte staat het volgende vermeld: "Dese summa van driehondert goltgl isz aen die Erffg. van Zall. Arent Odinck in onverdiels der summa betaelt in die Polstraet binnen Deventer, AO 1630, den 8 Januarij".

Op 27 november 1615 spreekt Arent Oedinck Henderick In de Boesberg voor 9 gulden en Egbert Krumhoff voor 12 goudgulden aan.

Aan pacht betaalt Arent Oedinck de volgende jaren:

1621: 2-14-0 1625: 6-0-0 1627: 6-0-0 1629: 7-0-0

1624: 6-0-0 1626: 6-0-0 1628: 6-0-0

Op 4 juli 1619 treedt Arent Oedinck op als getuige bij een overeenkomst tussen Herman int Hoeff en Derck ter Becke. Hij ondertekent als volgt: "Arent Oedinck als getuige" (dit blijkt uit een akte van 19 augustus 1630).

Op 6 februari 1621 verleent de Schout van Holten aan Arent Oedinck het recht om met pandinge op te treden tegen Egbertt Kruimhoeff, die in gebreke is gebleven zijn schuld van 12 goudgulden te voldoen. Zie onder 27 november 1615.

Op 29 oktober 1624 spreekt Arent Oedinck, namens zijn zoon Egbertt, "Holter Broeks sonne Arent" aan wegens een schuld van 15 gulden.

Op 8 juni 1626 biedt Arendt Oedinck 3230 goudgulden voor het erve en goed de Haar met een half waartal in de marke Holten. Verkoopster was Juffer Engelcken van Westerholt, wed van Franciso de Dasco. De koop werd echter gegund aan Berendt Derkssen Schaesberg, voor wie Arendt Oedinck en Jann int Hoeff als borgen optreden (dit blijkt uit een akte van 25 oktober 1632).

Aangezien, zoals hierboven bleek, Arent Odinck in 1629 nog de pacht over een stuk groenland heeft betaald (per traditie ingaande op 1 mei) en dat hij op 8 januari 1630 als overleden wordt vermeld, mag worden aangenomen, dat hij in de tweede helft van 1629 is overleden.

Het is niet mogelijk gebleken zijn beroep te achterhalen. Hoewel hij omstreeks 1613

de katerstede de Witte Willem pacht, lijkt het toch niet waarschijnlijk, dat hij een landbouwer was. Hierbij moet eerder worden gedacht aan een mogelijke nevenverdienste. Gezien zijn positie in de Holtense gemeenschap, zou misschien kunnen worden gedacht aan het beroep van herbergier, evenals zijn zoon Joost.

 

 

Overgenomen uit de Genealogie Enterman van 1975.

De akten zijn uit het Rechterlijk Archief van Holten (inventarisnummer 1).

U ROELOF ARENTSEN OEDING

Hij wordt voor het eerst vermeld in een akte in het Rechterlijk archief van Holten

van september 1624 als "Roloef Arent Oedings sonne", hetgeen wil zeggen dat hij is

"Roelof, de zoon van Arent Oeding". Hij is kleermaker "aan Snijders" in 't Dorp en trouwt mogelijk ± 1630 met Teunisken.

Op 15 november 1632 komt hij voor als Roloef Arentsen, tesamen met zijn broer Egbert.

Op 7 februari 1637 trouwt hij, als ruiter onder de Graaf van Stirum, in Deventer

met Lijsebeth de Borkel van Arnhem.

Op 21 augustus 1657 koopt hij een stuk land op de Derper Enk.

In het Kohier van de 500e penning van 1675 wordt hij aangeslagen voor een vermogen

van 500 gl. Hij komt in dat jaar in het Hoofdgeldregister voor als Snider Roeloff.

Op 16 juni 1680 maakt hij, ten overstaan van schout en keurnoten, zijn testament

als "Roloff Arents ". Zijn niet met name genoemde vrouw is dan nog in leven.

Zijn drie dochters te Amsterdam krijgen ieder een legaat van 50 Carolus gulden.

Hij is momber van zijn zuster Jenneken Arents op 06-03-1683.

Uit de ondertrouwakte van zijn dochter Martijntjen op 8 juni 1685 te Amsterdam volgt dat hij voor die datum is overleden.

 

U a AALTJEN ROELOFS

Dochter van Roelof Arentsen Oeding, geboren omstreeks 1643 te Holten.

Zij wordt vermeld in een akte van 16 februari 1671; daarin spreken Jan Frericx,

geassisteerd door Tonnis Roelofs (U 2), en Aeltien Roelofs hun oom, Arent Arentsen

Oedinck, aan voor 20 Car.guldens. Deze akte refereert naar die van 28 december 1662

waarin de nalatenschap van wijlen hun oom Lambert Arentsen Oedinck wordt verdeeld.

Arent Arentsen verzekert hun echter, dat hij hun vader, Roloff Arentsz (U) reeds

heeft betaald. Jan Frericx is mogelijk de man van Mechteld (U b).

 

U b MECHTELD ROELOFS

Dochter van Roelof Arentsen Oeding en geboren omstreeks 1645 te Holten.

Zij trouwt als Mechteltjen Roeloffs met Jan van Holten, die mogelijk identiek is aan

de hierboven genoemde Jan Frericx. Beiden zijn overleden voor oktober 1696, nalatende

een minderjarig kind, te weten Hendrik Jansen van Holten.

 

U c GEERTRUIJD ROELOFS

Dochter van Roelof Arentsen Oeding, geboren omstreeks 1649/50 te Holten. Zij gaat

op 22-09-1679 te Amsterdam in ondertrouw als "Geertruijd Roelofs, out 29 jaren met

acte van ouders consent, met Lambert Otten van Amsterdam, backer, oudt 26 jaren in

de Langestraat, geassisteert met Otto Lambers". Zij komt als Geertjen Rolofs voor

in het testament van 16-06-1680 van haar vader Roloff Arents te Holten. Zij wordt

op 31-10-1729 te Amsterdam vanuit de Zuiderkerk begraven op het St. Jorishoff onder

de naam "Geertruij Udink", weduwe van Lammert Otto Warnsing.

Deze Lammert is getuige bij de 2e ondertrouw, op 23-11-1708 te Amsterdam, van Teunis

Lambertse "Udonk" van Holten (U 11), zoon van Geertruijd's broer Lambert (U 1).

 

U d LIJSBETH ROELOFS

Dochter van Roelof Arentsen Oeding, geboren omstreeks 1655/56 te Holten.

Zij gaat op 03-05-1686 te Amsterdam in ondertrouw als "Lijsbeth Roeloffs van

Holten, ouders doot, oud 30 jaaren, op 't Waater, geassist. met Maria Dircx,

met Gerrit Hendriksz van Witmond, schoenmaker oud 25 jaren, in de Blumstraat,

ouders doot, geassisteert met Bastiaan Gerritsz, zijn oom".

Zij kwam al voor in het testament van 16-06-1680 van haar vader te Holten.

Over de datum van haar overlijden bestaat geen zekerheid.

('t Waater = het Rokin)

U e MARTIJNTJEN ROELOFS

Dochter van Roelof Arentsen Oeding, geboren omstreeks 1656/57 te Holten.

Zij gaat op 08-06-1685 te Amsterdam in ondertrouw als "Martijnie Roeloffs

van Holten oud 28 jaren in de Langestraat, ouders doot, geassisteert met

haar suster Geertruijd Roeloffs, met Frans Jansz van Langelaer van (-)ombergh,

backer, oud 30 jaren op de Nieuwendijck, ouders doot, geassisteert met zijn neef

Dirck Otte". Deze laatste is mogelijk een broer van Lambert Otten Warnsing.

Martijntjen is getuige bij de doop op 07-09-1692 te Amsterdam van Roelof Udinck

of Udingh (U 212). Op 07-04-1726 wordt te Amsterdam begraven "Frans van Langeraer

op de Braack, voorbij de middelste brug". De naam "(-)ombergh" is niet bekend.

 

U 1 LAMBERT ROELOFS

Hij trouwt voor 13 mei 1681 met Aeltjen Egberts, dochter van Egbert Wevers, die

misschien identiek is aan Egbert Arentsen Oedinck, de 4e zoon van de stamvader

Arent Oedinck. In dat geval is Aeltjen een kleindochter van de stamvader en is

zij met haar neef getrouwd.

Zij en hun erfgenamen verkopen op 13 mei 1681 hun huis en huisstede en

de hof, waarop deze staan, aan Derrick Jansen en diens vrouw Egbertien

Berentsz. Lambert Roelofssen (Rolofsz) ondertekent met het merk rechts.

Van 26 november 1685 af treedt hij op als boedelhouder van zijn vader in een proces

over niet betaalde rente van een stuk land, dat zijn vader op 21-08-1657 had gekocht.

Op 10 december 1685 en 18 maart 1686 treedt zijn broer Teunis Roelofs namens hem op.

Uit akten van 9 en 11 november 1686 blijkt, dat Lambert en Teunis voor bewezen diensten aan de advocaat Dr.Henrick van Wullen en diens zoon, procureur van Wullen, moeten betalen respectievelijk 52-18 gulden en 74-19 gulden, tesamen 127 gl 17 st.

Op 6 october 1687 en 25 mei 1688 protesteren Lambert Roelofs en zijn vrouw Aeltjen Egberts, tegen het beslag op de desolate boedel van Egbert Egbertsen, haar broer, aangezien Aeltjen voor de helft eigenaresse is van een stuk grond vallende onder de onderhavige boedel.

Behalve in de bovengenoemde akten, wordt hij genoemd in akten in het R.A.Holten

op tien data in 1686. Hij is overleden na 26-11-1711.

 

 

 

 

Bronnen:

Genealogie Enterman

Gemeentearchief Amsterdam

U 11 TEUNIS LAMBERTS UDINCK

Geboren omstreeks 1670 te Holten als zoon van Lambert Roelofs. Hij vestigt zich te Amsterdam, waar hij als bakker, coorndrager en poorter wordt vermeld.

Evenals zijn beide neven Teunis (U 21) en Roelof (U 22), kiest hij kennelijk voor

de grote stad en volgen zij hun tantes Geertruijd, Lijsbeth en Martijntjen Roelofs.

Opvallend is dat Teunis (U 11) en Roelof (U 22) bakkers zijn en dat Geertruijd en Martijntjen eveneens met bakkers zijn getrouwd.

Neef Teunis (U 21) blijft bij het kleermakersberoep.

Hij trouwt in 1696 met Aeltje Tops uit welk huwelijk geen kinderen bekend zijn.

Daarna gaat hij op 23-11-1708 te Amsterdam als "Theunis Lambertse Udonk van Holten

en weduwnaar van Aaltje Tops in de Corsjessteeg, coorndrager", opnieuw in ondertrouw met "Bernardina Ottenhoff van Delden", oud 32 jaren, op de Keijsersgragt, ouders doot, geassisteert met Lambert Warnsings", de man van zijn tante Geertruijd (U c).

Het echtpaar woont in de Oude Nieuwstraat bij de Korsjessteegh. Bernardina wordt in Amsterdam Barendina genoemd en wordt op 21-10-1728 begraven op het Kart.Kerkhof als "huijsvrouw van Teunis Lammertsz Udink, 2 kinderen nalatende".

Teunis wordt op 19-03-1762 begraven in de Westerkerk "ongeveer 92 jaar oud, gewoond hebbende op de Nieuwezijds Voorburgwal".

 

U 11 a ALIDA UDINK

Geboren ± 1710/11, gaat op 06-03-1739 te Amsterdam als "Alida Udink van Amsterdam

oud 28 jaren in de Oudenieuwstraat, geassisteert met haar vader Theunis Udink" in ondertrouw met "Marten Kooy van Middelstum, oud 31 jaren, op de Brouwersgracht,

ouders dood, geassisteert met Barend Reght". Het huwelijk is gesloten op 24-3-1739.

Zij wordt op 07-04-1780 te Amsterdam begraven in de Oude Kerk als Alida Udink,

huijsvrouw van Marten Kooy op de Cingel tussen Korsjes en Lijnbaansteeg.

Voor het Vrouwenchoor 22 wordt fl 8= betaald.

Haar man Marten Kooy is beschreven in het Nederl. Patriciaat, te beginnen met:

I Harm Peters, gedoopt Uithuizen op 07-03-1669, zoon van Peter Bootsman, vestigt

zich te Middelstum omstreeks 10-06-1708, trouwt te Zandeweer op 05-03-1702 met

Lamge Meertensdochter, geboren omstreeks 1672, weduwe van Hindrik Willems,

beide overleden voor 1739.

II Meerten Harmens, (later Marten Kooy), gedoopt te Zandeweer op 24-01-1706,

varende man tot 1739, poorter van Amsterdam op 14-07-1739, koopman aldaar,

begraven te Amsterdam op 12-05-1787, trouwt aldaar 24-03-1739 Alida Udink,

geboren te Amsterdam in 1710, begraven aldaar 07-04-1780, dochter van Teunis

Lambertsz en Barendina Ottenhof.

III Barend Kooy, geb Amsterdam op 02-03-1750, koopman in koffie en thee, overleden

te Amsterdam op 22-12-1819.

IV Joannes Kooy, geb Amsterdam op 04-07-1785, reder en assuradeur, later directeur

van de Nederl.Handel Maatschappij, overleden te Amsterdam op 12-03-1870, R.N.L.

 

In de "Groningsche Volksalmanak" verscheen in 1939 een artikel over deze Marten Kooy,

geschreven door M.G. de Boer. Hierna volgt een verkorte weergave.

= VAN EEN GRONINGSCH ZEEMAN DIE FORTUIN MAAKT =

 

"Het was op 6 maart 1739, dat Marten Kooy van Middelstum, oud 31 jaar wonende op

de Brouwersgracht te Amsterdam, aangifte deed van zijn aanstaand huwelijk met Alida

Udink, oud 28 jaar en wonende in de Oude Nieuwstraat.

Op 14-07-1739 wordt Marten als poorter ingeschreven: "getrouwt hebbende Alida Uding,

dochter van Theunis Lambertsz, bakker en poorter". Of Marten matroos is geweest of

stuurman, moeten we in het midden laten. Beiden hebben zij blijkbaar een bescheiden

maatschappelijke positie ingenomen. Ook de woonplaats van de bruid wijst in dezelfde

richting. De Oude Nieuwstraat is een bescheiden straatje, bij de Korsjespoortsteeg

gelegen, dat evenwijdig loopt aan de Nieuwezijds Achterburgwal.

Schoonvader Udinck, had zijn eerste vrouw van de Keizersgracht gehaald.

Later, weduwnaar geworden, had hij zijn echtelijk geluk op de Heeregracht gezocht.

Wij moeten hieruit echter geen verkeerde conclusies maken.

De eerste vrouw was uit Harderwijk, de tweede, moeder van Alida, uit Delden afkomstig,

dus blijkbaar is beide keeren niet de dochter des huizes, maar een van de dienstboden

de uitverkorene geweest, enz...

In 1749 blijkt reeds van een zekere welstand; hij koopt een huis op het Singel bij de

Korsjespoortsteeg, dicht bij het ouderlijk huis van zijn vrouw. Kort daarna, als hij

het zeeleven vaarwel heeft gezegd, is hij handelaar in koffie en als zoodanig doet

hij niet onbelangrijke zaken; hij leent geld uit en is eigenaar van een huis op de

Martelaarsgracht dat hij voor fl 8000= verkoopt.

Blijkbaar heeft hij tijdens de periode welke vooraf gaat aan den Vierden Engelschen

Oorlog veel geld verdiend; hij koopt het ene pand na het andere, enz...

Maar men kan zich nog zoo vasthouden aan het aardsche, eenmaal komt het einde.

Voor hem kwam dit in mei 1787; zijn vrouw was reeds in 1783 overleden (lees 1780).

De drie zoons hadden toen ieder fl 12000 = als moederlijk erfdeel ontvangen.

Uit de boedelscheiding, op 19 september 1788, blijkt het vermogen heel wat grooter

te zijn, dan we hieruit zouden verwachten; enz...

Het blijkt dus dat Marten Kooy een aanzienlijk kapitaal heeft bijeengebracht, dat

eenige tonnen gouds heeft bedragen. Een zijner zoons, Barend Kooy, is in den tijd

der Fransche overheersing, een der honderd hoogstaangeslagenen van Amsterdam.

De familie erft in deze dagen de nalatenschap der Udink's, die evenzeer tot grooten

welstand gekomen zijn en zich vooral op de handel in potasch en op het reedersbedrijf

hebben toegelegd. Barends zoon, Joannes Kooy, als jongste bediende bij oom Udink op

kantoor gekomen, zet diens zaken voort en wordt een der groote reeders van Amsterdam.

Koning Willem I, die blijkbaar veel met hem op heeft gehad, bracht hem nog verder.

Als in het jaar 1834 de zoon van den Raadspensionaris ontslag vraagt als president

der Ned. Handel Maatschappij, moet Joannes op speciaal verlangen van den Koning

solliciteren voor een Directieplaats.

Als zoodanig kan hij moeilijk zijn bedrijf als reeder voortzetten, dat van de be-

vrachtingen van de N.H.M. afhankelijk is; hij draagt dit, dat nog altijd onder de

firmanaam "Udink en Co" gedreven wordt, over aan zijn minderjarigen zoon, enz..."

Tot zover een deel van dit artikel dat nogal wat feitelijke onjuistheden bevat met

betrekking tot de Udink's, die hier echter niet van belang zijn, het gaat om het tijdsbeeld.

De bewering dat de familie Kooy de nalatenschap der kinderloos gestorven Udink's

heeft geërfd, is ongefundeerd. Alleen Marten Udink liet hen belangrijke porties na.

U 111 BAREND UDINK

Gedoopt 18-05-1712 te Amsterdam. Vermoedelijk krijgt hij zijn doopnaam van zijn grootvader Berent Ottenhoff. Deze is getrouwd met Fenneken Hoedemaker in Enschede,

een zuster van Claes Hoedemaker, de overgrootvader van Barend's vrouw Catharina Hoedemaker.

Het ligt echter niet zo voor de hand dat Barend door deze tamelijk verre verwantschap zijn vrouw Catharina heeft leren kennen. Veeleer moet gedacht worden aan zakelijke kontakten die Barend (hij is al 30 jaar als hij trouwt) mogelijk had met Catharina's vader, Nicolaas Hoedemaker. Deze is behalve linnenkoopman en fabrikeur van textiel

in Enschede, bovendien reder met eigen schepen voor de handel op Indië en heeft een kantoor in Amsterdam.

Barend is daar eveneens reder, koopman en bankier. Barend en Catharina trouwen in

Enschede en gaan te Amsterdam wonen op de Nieuwendijk bij de Dirk van Hasseltsteeg, later op de Nieuwezijds Voorburgwal, " over de Kolk ".

Het echtpaar krijgt 14 kinderen waarvan er elf kort na de geboorte of op jeugdige leeftijd overlijden. Bij alle dopen zijn Alida Udink en Marten Kooy getuigen.

Barend wordt op 04-07-1775 begraven in de Oude Kerk. Catharina wordt daar eveneens begraven op 12-01-1798, "gewoond hebbende op de Cingel tussen tussen de Korsjes- en Roomolensteegen". Bij beide begrafenissen wordt voor het Vrouwenchoor fl 8= betaald.

Zijn bedrijf is door Catharina Hoedemaker en zijn zoon Nicolaas voortgezet.

In stukken uit 1782, 1784, 1794 en 1798 komt de "Weduwe Barend Udink en Zoon" voor.

Naar het schijnt handelt de "Bank Udink" in die jaren veel in wisselbrieven.

In akten uit 1758 en 1765 komt Barend Udink voor in de hoedanigheid van diacoon, de Diaconie van de Kerk in Amsterdam vertegenwoordigend via een procureur in Den Haag.

 

U 1112 NICOLAAS UDINK

Gedoopt op 07-02-1745 te Amsterdam. Vermoedelijk krijgt hij zijn doopnaam van zijn grootvader Nicolaas Hoedemaker in Enschede. Hij is werkzaam in de onderneming van zijn vader, mogelijk ook zelfstandig. Hij blijft ongehuwd en overlijdt op 05-10-1805.

Hij is in 1796 een der "Commissarissen van de Rekenkamer Der Stad Amsterdam", ook wel aangeduid als "Commissarissen van den Grooten Excijns". Die funktie brengt hem een wapen -in zilver- met drie rode kepers. Dit wapen komt voor op een van de drie grote geschilderde wapenborden van de Commissarissen, die hingen in het voormalige stadhuis van Amsterdam. Deze borden bevatten zestig wapens in zes rijen van tien.

De schrijver maakte van het wapen van Nicolaas de foto die op blz 37 wordt weergegeven

in zwart-wit, helaas ten koste van de fraaie kleuren.

Nicolaas is in 1796 ook luitenant in "de Vaandelen van Burgers". Zijn broer Marten voert hetzelfde wapen en zijn broer Theunis waarschijnlijk ook, omdat dit wapen is terug te vinden in de samenstelling van het wapen van de eerste Roessingh Udink in Enschede. Het is niet bekend waaraan het wapen is ontleend, maar waarschijnlijk is het zelf bedacht. Een verklaring zou kunnen zijn, de overeenkomst tussen de drie kepers en de drie zonen uit één huis, waarbij de kepers de dakspanten van het huis uitbeelden.

Op 23 February 1796, het Tweede Jaar der Bataafsche Vryheid onder Franse overheersing,

staat Nicolaas Udink onder nummer 56 op de voordracht voor verkiesbare Representanten van het Volk van Amsterdam (blz 38).

Op 2 Ocober 1798 staat hij op de voordracht voor nieuw te kiezen leden van den Grooten Kerkenraad der Nederduits Gereformeerde Gemeente van Amsterdam (blz 39).

Op 28 February 1803 maakt hij ten overstaan van notaris Pieter Lijndrager te Amsterdam

zijn testament, waarin hij zijn broers Marten en Theunis tot zijn erfgenamen benoemt.

Ook zondert hij legaten af, bijvoorbeeld:

Op 11 Maart 1803: "het huijs en erve door mij bewoond op den Cingel, tusschen de

Lijnbaan en Spaarpotstegen, tegenover de Mennonitenkerk de Zon, aan mijn Broeder Theunis Udink en deszelfs huijsvrouw Hermanna Steenberg", getaxeerd op fl 15000=.

Op 30 October 1803: "aan de dienstmijden die bij mijn overlijden in onze dienst mogten zijn, legateer ik vijffentwintig gulden voor ijder jaar dat zij in onze dienst geweest zijn en honderdvijftig gulden voor de rouw, aan de knegts buijtens huijs ijder Jaar zoo lang als bij ons gewoond hebben vijftien gulden 's jaars en honderd guldens aan ijder voor de rouw, dan nog aan Ary Adriaansz de somma van tweehonderd guldens".

Op 18 September 1805, kort voor zijn overlijden, verzoekt hij:

"de laatst overblijvende van mijne broeders en suster, (een van beide schoonzusters

was zojuist gestorven) gelieve te zorgen dat de bijde graven in de Oude Kerk voor

altoos gesloten blijven en moeten daar voor aan de kerk maken twee à drie obligatien

ijder duijsend guldens, ook lag ik gaarne in 't graff bij vader en moeder".

Op 1 Maart 1803 maakt hij een onderhandsche Codicillaire Dispositie uit kragte van de Clausule Reservatoir in het testament, waarin komt te staan:

"Voorts maak ik tot een voortdurend fonds een somma van vier duijsend guldens onder administratie van een der naaste en oudste erfgename mijner nalatenschap off diegene die erfgenaame mijner broeders off zusters worden mogten, (met zusters worden zijn twee schoonzusters bedoeld) om uijt de vrugten daarvan aan noodlijdende in de familie, zoo van de zijde der familie van Udink of Hoedemaker assistentie te bezorgen zullende de naaste in de familie, die zulks benoodigd zijn de eerstgerechtigde daartoe zijn, zullende de vier duijsend gulden in de solideste lands effecten moeten belegd worden". Hij geeft aan het fonds geen naam. Later wordt dit het "Nicolaas Udink Fonds".

Op 7 Maart 1805 voegt hij daaraan toe: "dat het gestelde egter met die bepaling is, dat zulks egter, wanneer er meerder onder zijn, de naaste niet boven honderd gulden mag genieten, tenzij het fonds merkelijk mogt zijn geavanceerd, dan laten in zulk geval de directie daarvoor zorgen".

Op 18 September 1805 bepaalt hij "voor het fonds omtrend het beleggen der vierduijsend guldens had ik liefst Nationale Schuldbrieven twee en een half percents".

Hij overlijdt op 5 oct en wordt op 9 oct 1805 in de Oude Kerk te Amsterdam begraven.

Zijn nalatenschap bedraagt meer dan fl 70000=, belegd in huizen, waaronder het zijne,

een pakhuis in de Teerketelsteeg, genaamd de Rotgans en de Kroon, later de Fuik, en verder obligatieen en enkele aandelen in plantages in Suriname.

Na zijn dood treedt het "Nicolaas Udink Fonds" in werking en Theunis wordt daarvan de administrateur. Deze heeft de fl 4000= kennelijk opgehoogd, want op 26 Augustus 1809 schrijft hij voor fl 11000= in op het Grootboek der Publieke Schuld 2½ percents N2571.

De vraag is wat Nicolaas Udink bedoeld heeft met noodlijdenden in de familie Udink. Hijzelf en zijn broers hebben geen kinderen en zijn tante, Alida Udink, is al 23 jaar geleden gestorven. Haar kinderen dragen de naam Kooy en zijn bovendien zeer rijk.

Alleen in haar kinderen zet zich het nageslacht voort, maar onder andere naam, van haar vader Teunis Lamberts Udink uit Holten. Deze sterft in Amsterdam als Nicolaas

17 jaar is en hij moet zijn grootvader wel hebben gekend.

Toch moeten wij aannemen, dat het bestaan van andere Udink's in Holten hem is ontgaan en dat hij met de familie Udink deze hem onbekende verwanten niet heeft bedoeld.

Na het overlijden van Theunis Udink in 1811 is het beheer van het fonds overgegaan op zijn volle neef Barend Kooy en vervolgens op verdere nakomelingen met de naam Kooy en vanaf 1893 met de naam van Marwijk Kooy.

In 1817 doet Hendrik ter Kuile in Enschede, gehuwd met Gijsberta Hoedemaker, een nicht van Nicolaas Udink, een verzoek om een uitkering ten behoeve van Hendrik ten Cate, de enige zoon van Hermina Hoedemaker, gehuwd met Othmar ten Cate en zuster van Gijsberta.

Dit verzoek is stellig gehonoreerd, want in 1859 blijkt het stichtingsvermogen te

staan op fl 18000-, waaruit kan worden afgeleid dat gedurende lange tijd de halve rente is uitgekeerd en de andere helft aan het kapitaal is toegevoegd.

Uit de periode 1859-1880 van Joannes Kooy Senior en Junior zijn briefwisselingen bewaard gebleven tussen Amsterdam en Twente waaruit blijkt dat de helft van de rente

jaarlijks werd overgemaakt en ter verdeling toevertrouwd aan een zoon van Gijsberta Hoedemaker, hierboven genoemd.

Deze zoon, Hendrik ter Kuile Junior, was predikant te Enschede. Hij was tevens de beheerder van het Hoedemakerfonds, in 1812 gesticht door Herman Hoedemaker, een ongehuwde oom van Nicolaas, die zijn fonds bestemde voor uitkeringen aan verarmde familieleden en verarmde stadgenoten in Enschede.

Ds H. ter Kuile schrijft aan familieleden in Twente, dat "J. Kooy te Amsterdam de uitdeling uit het fonds aan ons overlaat aan die leden der familie Hoedemaker die

wij menen dat het nuttig is" en "J. Kooy geeft ons hier gelden ter beschikking die

wij tot opvoeding van kinderen uitgeven waarvan o.a. Holwerda geniet".

Deze Ds A.R. Holwerda is predikant in Oude Lemmer en zijn vrouw is Johanna ten Cate, een dochter uit een volgend huwelijk van de eerder genoemde Hendrik ten Cate.

Zij is een kleindochter van de eerder genoemde Hermina Hoedemaker.

De Enschedese Hoedemakers waaruit allen stammen, zijn in 1814 in manlijke linie uitgestorven met de genoemde Herman. Vandaar waarschijnlijk het Hoedemakerfonds.

De ten Cate's profiteren het meest van het Udinkfonds. Zo ook Herman ten Cate, gehuwd met Maria Geertruid Hoedemaker, de derde nicht van Nicolaas Udink, die een uitkering ontvangt "voor de opvoeding van de dochters van hun zoon Sybrand ten Cate".

In 1872 vraagt een zuster van Johanna ten Cate, die gehuwd is met Adolph Willem Storm

van 's Gravesande, burgemeester van Lonneker aan "haar neef" (Ds ter Kuile is een neef van haar vader) om "eenige aanspraak op het familiefonds". Zijn antwoord is dat zij geen aanspraak heeft op het Hoedemakerfonds, maar wel op het Udinkfonds, maar dat zij moet weten dat "Holwerda in Oldelamer moet missen wat aan U gegeven wordt".

Het codicil uit 1803 is op 18-07-1979 vervangen door een vernieuwde stichtingsakte en de "Stichting Nicolaas Udinkfonds" staat nu geregistreerd bij de Kamer van Koophandel in Amsterdam onder nummer S 199773.

In artikel 2 staat nu: "noodlijdenden, die zijn bloedverwanten in welke graad ook van de ouders van de oprichter".

De gerechtigden kunnen dus een geheel andere naam dragen dan die van het fonds en van de ouders van de oprichter, Barend Udink en Catharina Hoedemaker.

Bloedverwanten van Barend Udink die afstammen van zijn overgrootvader in Holten staan in verwantschap vier graden verder af van de ouders van de oprichter dan degenen die afstammen van de vader van Catharina Hoedemaker of van Alida Udink, Barend's zuster.

Doordat de Grootboekinschrijving niet aflosbaar en de rente onveranderlijk is, zijn de revenuen van het fonds klein, gerekend naar de tegenwoordige maatstaven.

 

U 1114 MARTEN UDINK

Gedoopt 25-07-1748 te Amsterdam en vermoedelijk genoemd naar zijn oom Marten Kooy.

Hij is reder en koopman en daarnaast is hij bestuurder van het Aalmoezeniersweeshuis te Amsterdam. Hij voert hetzelfde wapen als Nicolaas (blz 36).

Zijn eerste huwelijk sluit hij op 08-12-1774 met zijn nicht Lammerdina Kooy, dochter van zijn tante Alida Udink en oom Marten Kooy. Zij overlijdt enkele maanden later.

Het tweede huwelijk sluit hij ruim twee jaar later met "Cornelia Margaretha Le Grand, oud 23 jaren, op de Kijsersgragt, geassis. met haar vader Petrus Leonardus Le Grand".

Beide huwelijken blijven kinderloos. Hij overlijdt op 13-05-1808 te Amsterdam.

Zijn naam leeft echter voort doordat hij peetvader wordt van een nieuw geslacht.

Zijn nicht, Maria Geertruid Hoedemaker, eerder genoemd in de beschrijving van zijn broer Nicolaas, geeft in 1805 aan haar jongste zoon de doopnaam Marten Udink en, gevoegd bij de familienaam ten Cate, leidt dit tot een nieuw geslacht Udink ten Cate dat tot heden voortduurt.

Dit gebeurt enkele dagen voor Marten haar in zijn testament tot erfgename benoemt.

Deze naamgeving herhaalt zich wanneer haar kleindochter Hermanna Udink ten Cate, die gehuwd is met Herman Gijsbert Blijdenstein, aan haar in 1874 geboren zoon de naam Marten Udink Blijdenstein geeft. Deze blijft echter ongehuwd zodat er geen geslacht met die naam is geweest.

Dat de naam Marten Udink als voornaam werd gebruikt blijkt uit de geboorteakte nr 211 van 04-07-1874 te Lonneker en uit de overlijdensakte nr 90 van 18-06-1940 te Voorst.

Marten Udink is een aktief lid van het Aalmoezeniersweeshuis. Uit de notulen van de vergadering van regenten blijkt dat hij nooit ontbreekt. Hij levert een voortdurend gevecht om subsidie te krijgen uit de slecht gevulde gemeentekas.

Hij treedt op eigen verzoek terug op 01-07-1807.

In 1834, wanneer deze Udink's al lang uit de tijd zijn, wordt nog gewag gemaakt van snelle en voorspoedige zeereizen met als voorbeeld het schip "Admiraal de Ruijter,

op de werf Oranjeboom gebouwd en toebehorende aan de heren M. Udink en Zoon".

Het schip had de uitreis naar Batavia met inbegrip van het laden en lossen "in den korten tijd van 7 maanden en 5 dagen volbracht".

(Jaarboek Amsterodanum 1934).

"M. Udink en Zoon" moet een voortzetting zijn van Marten Udink's rederijen, maar er zal mee bedoeld zijn de rederij "M. Udink en Co", voortgezet door Joannes Kooy.

Marten Udink komt voor in een brief van 26-06-1802, die Lambert Nieuwenhuijs, een Enschedese fabrikeur en bekwaam sterrenkundige, schrijft aan Prof. van Swinden, een geleerde die met anderen werd aangewezen om de omtrek van de aarde te bepalen om daaruit de lengte van de meter te vinden. In de brief (Leidse Universiteit) staat:

"Verzoeke de lengte van een à twee decimeter op papier getrokken te zenden en die te bezorgen bij mijn neef Marten Udink op de Keizersgracht".

Nauwkeurigheid in maat en gewicht was geen sterk punt in de achttiende eeuw.

"Geen twee Amsterdamsche en Rijnlandsche duimstokken zijn even lang", schrijft hij.

Lambert Nieuwenhuijs is geen neef van Marten maar de zoon uit het tweede huwelijk van

Andries Nieuwenhuijs, die in eerste echt gehuwd is geweest met Geertruid Hoedemaker,

een halfzuster van zijn grootvader Nicolaas Hoedemaker.

Marten Udink maakt op 24-10-1805 zijn testament, nadat zijn vrouw een maand daarvoor was overleden. Hij woont dan "op de Keijzersgracht over 't Huis met de Hoofden"

Hij legateert eerst fl 80000= aan familieleden van zijn overleden vrouw en benoemt daarna tot zijn universele erfgenamen voor de volgende delen:

1/3 zijn broer Theunis Udink of diens huisvrouw Hermanna Steenberg,

1/3 zijn neven Barend en Marten Kooy (kinderloos) en de kinderen van Barend Kooy,

1/3 zijn ongehuwde oom Herman en zijn ongehuwde moeij (tante) Hermanna Hoedemaker,

zijn nichten Gijsberta en Maria Geertruid Hoedemaker en

zijn nichten en neef Maria Geertruid, Catharina en Hendrik Steenberg.

Zijn broer Nicolaas, zijn neef en nichten Nicolaas en Hermina Hoedemaker en Hendrika Steenberg waren al overleden. Overigens kregen alle familieleden een deel.

Het totaal van zijn nalatenschap is niet bekend maar dit moet zeer groot zijn geweest.

 

U 1119 THEUNIS UDINK

Hij werd gedoopt op 25-09-1765 te Amsterdam en bleef de jongste van het gezin.

Zijn doopnaam Teunis komt bijna zeker van zijn grootvader Teunis Lammertsz Udinck

uit Holten. Die naam wordt later verfraaid tot "Theunis".

Op 13-10-1786 gaat hij te Amsterdam in ondertrouw als "Theunis Udink op de Cingel en Harmanna Steenbergen te Enschede zijn alhier op Acte van A: Weddelink, Predikant te Enschede, ingetekend". Het huwelijk wordt gesloten te Enschede.

Het juiste beroep van Theunis is niet bekend maar hij zal ongetwijfeld werkzaam zijn geweest in de ondernemingen van zijn vader, mogelijk later ook zelfstandig.

Na de dood van zijn broer Marten in 1808 schijnt hij zich uit de zaken teruggetrokken te hebben, waarschijnlijk wegens ziekte.

In de vergadering van het Intermediair Bestuur van Amsterdam op 1 December 1801 wordt Vrouwe Hermanna Steenbergen, huisvrouw van Theunis Udink, benoemd tot de Eerepost van

Regentesse van het Leprozenhuis aldaar (blz 44).

Zij wonen in Amsterdam op den Singel, over de Bergstraat, maar brengen hun laatste levensjaren door in Enschede, waar zij wonen in de Langestraat 21.

Theunis Udink wordt zeer rijk, mede doordat hij van zijn broers erft.

Op 15-12-1808 maken hij en zijn vrouw Hermanna Steenberg ten overstaan van notaris Pieter Lijndrager te Amsterdam een mutueel testament, waarin zij verklaren: "malkanderen over en weder tot eenige en algeheele erfgenamen te noemen en te stellen met magt omme alle hetzelve te verteeren, veralieneeren, belasten en bezwaaren tot den laatste penning toe".

Zij nemen hierin op de wens "dat zijn of haar doode lighaam begraaven zal worden in de Gereformeerde Oude Kerk dezer stad in het graff getekend no 21 en zulks even en op dezelfde wijze als wijlen des testateurs broeders begraven zijn, des namiddag's te drie uuren, met zes achterkoetzen boven en behalve de lijkkoets, veertien dragers aan welke aan ieder van hun zal gegeven moeten worden twaalf guldens draagloon en twee guldens drinkgeld, zes aanspreekers en twee dienaars der justitie".

Voorts "met verdere begeerte dat na dat de langstlevende daarin begraven zal zijn

het graff getekend no 21 alsmeede het graff getekend no 30 in de Oude Kerk, in hun eigendom toebehorende, voor altoos zullen moeten geslooten blijven", waarvoor zij aan de kerk legateren "twee obligatien off schuldbrieven ten lasten van de voormaalige Bataafsche Republiek of ten lasten van het Koning-rijk Holland, ieder groot in kapitaal duijzend guldens, rentende twee en een half percent".

Voorts "legaterende aan ieder van de dienstboden welke op hun overlijden in hun dienst zullen zijn, in kontante gelden een somma van eenhonderdvijftig gulden en zulks in plaatse van een rouw".

Voorts verklaren testanten "dat alle het geenen de langstlevende van hun, onverteerd, onveralineerd, onbelast en onbezwaardt zal komen na te laten, geconsidereerd zal moeten worden de gemeene boedel van hun testanten te zijn waar over ieder van hun over de helft zal kunnen disponeeren". Hetgeen in het testament bij voorbaat geschiedt.

Theunis Udink heeft geprelegateerd "aan Johannes Theunis Roessingh Udink, zoon van Hendrik Jan Roessingh en Johanna Barendina van Heek, alle door zijne testateurs na

te latene kleederen van zijde, linnen, wolle en andere stoffen, waaronder ook zijne

na te latene zak of neusdoeken, mitsgaders alle zijne na te latene juweelen, goud en

zilverwerk en zakhorlogien, tot zijn lijfdragt en cieraad gedient en behoord hebbende,

en zulks alles wat in den ruijmsten zin onder het voorgeschreeve gerekend kan worden".

Hermanna Steenberg heeft geprelegateerd "aan haar zusters Catharina en Maria Geertruij

Steenberg tezamen alle haar testatrices na te latene kleederen van zijde, linnen,

wolle en andere stoffen waaronder ook haare zak of neusdoeken, mitsgaders alle haare

na te latene paarlen, juweelen, goud en zilverwerk en horlogien, tot haar testatrices

lijfdragt en cieraad gediend en daartoe behoord hebbende, alles in den ruijmsten zin".

Theunis Udink heeft in het testament over zijn helft van de gemeene boedel, na het overlijden van zijn vrouw (die tevens zijn nicht was), als volgt gedisponeerd:

1- een legaat aan zijn neven Barend en Marten Kooy, ieder in kontante gelden een somma van duijzend guldens.

2- letterlijk: "noch aan de bovengenoemde Johannes Theunis Roessing Udink zoodra

dezelve den ouderdom van vijfentwintig jaaren zal hebben bereikt of eerder zal

zijn getrouwt en anders noch eerder niet, in kontante gelden eene somma van

Vijftig Duijzend Guldens, zullende het gemelde legaat indien de genoemde

Johannes Theunis Roessing Udink voor deszelfs vijfentwintig jaarige ouderdom

ongehuwd mocht komen te overlijden, aan zijn testateurs hieronder te noemene

geinstitueerde of gesubstitueerde erfgenaamen vervallen zijn".

3- letterlijk: "en in het overige van zijn testateurs voormelde helfte en waarover

hij niet nader zal hebben gedisponeerd, tot zijn eenige en algeheele erfgenaamen

te noemen en te stellen juffrouw Catharina Steenberg en juffrouw Maria Geertruijd

Steenberg, dochters, de heer Hendrik Steenberg, zoon" - (van Jan Steenberg) -

"en de heer Hendrik Jan Roessing, zoon van wijlen Johannes Roessing en meede

wijlen Hendrika Steenberg en kleinzoon van wijlen Jan Steenberg en meede wijlen

Fenneke Hoedemaker, in der tijd echtelieden, ieder aan hun voor een vierde part,

en bij vooroverlijden, etc..."

Hermanna Steenberg heeft over haar helft van de gemeene boedel, na haar overlijden, gedisponeerd door tot haar eenige en algeheele erfgenaamen te noemen en te stellen dezelfde familieleden en in dezelfde mate als hierboven bij haar man genoemd.

Theunis Udink wordt genoemd in het standaardwerk over de Twentse Havezate Singraven

door Prof.Dr.Karl Döhmann en W.H.Dingeldein, waarin zij over hem schrijven:

"door te trouwen met Hermanna Steenberg werd Theunis Udink de zwager van Johannes Roessink. Zijn neef (lees achterneef) Hendrik Jan Roessink trouwde met Johanna Berendina van Heek en hem en zijn vrouw werd op 02-06-1808 bij Koninklijk Besluit van Lodewijk Napoleon vergund de naam van hun enig kind Johannes Roessink, geb 21-02-1805

te wijzigen door toevoeging van de voornaam Theunis en de achternaam Udink".

"De verklaring hiervoor geeft het testament van Theunis Udink van 15-12-1808 waarbij Johannes Theunis Roessingh Udink tot universeel erfgenaam van zijn oud-oom benoemd werd. Daarmee werd hem een vermogen van fl 650.000= gewaarborgd."

Met een copie van het testament in zijn bezit, stootte de schrijver dezes hier op een niet te herstellen historische onjuistheid in de beschrijving van Roessingh Udink.